Zakdoek met een rand van Binche-kant

Afmetingen van de stof: 19 x 19 cm.
Breedte van de kant: 2,5 cm.

Binche-kant valt onder de soort kloskant met doorlopende draden en wordt vooral in de streek van het westen van Vlaanderen, met name in Brugge, geklost. Hier wordt ze ook wel Point de Fée genoemd. In deze fijne kant vallen vooral de verschillende “sneeuwvlokken” op, die groot, klein, geringd of met gaatjes kunnen zijn. Iedere soort sneeuwvlok heeft een eigen raster. Naast deze sneeuwvlokken komen ook andere gronden voor: de Parijse, de Vlaanderse tralie en soms ook de vlechtgrond van de Valenciennes. De motieven zijn meestal in linnenslag geklost, maar de halve slag komt ook voor. Er wordt traditioneel geen sierdraad gebruikt, maar in eigentijdse stukken omgeeft een sierdraad soms een klein deel om dit te accentueren.

Zakdoek met een rand van Binche-kant

Zakdoek met een rand van Binche-kant

In het zakdoekkantje uit mijn collectie zien we naast de bovengenoemde kenmerken een ovaal motiefje van Parijse grond met een dubbele omranding van 2 x 2 hele slagen met daar tussen “moezen”, vierkanten vormslagen. Ze zouden eigenlijk vierkant moeten zijn, maar de klosster heeft ze steeds aan de onderkant tot een puntje getrokken.  Verder valt op dat het randje gekloste hoeken heeft. Daaruit kunnen we concluderen dat dit zakdoekje nog niet zo heel oud is. Lang was het heel normaal om de randen in de hoeken te vouwen of de rimpelen om zo een rechthoekige doek te omranden.

Over zakdoeken

Het spreekt bijna voor zich dat een dergelijke kostbare zakdoek niet zal worden gebruikt bij een zware verkoudheid.  Het is meer een accessoire, een siervoorwerp, dat hoogstens een traantje van emotie opneemt of een voorhoofdje droog dept. Het kan een bruidszakdoekje zijn, een geliefd cadeau van een kantklossende moeder aan haar dochter.

Er zijn echter twee periodes in de geschiedenis van de kant en de mode, waarin (zak)doeken een belangrijk rol speelden en opvallend zichtbaar werden gedragen. Op schilderijen uit de tweede helft van de 16e tot het eerste kwart van de 17e eeuw en ook weer in de 19e vinden we heel vaak rijke dames, die een kostbare (zak)doek met kant in hun hand houden. Net zoals wij nu ons handtasje of telefoontje steeds bij ons dragen.

De adellijke dames en ook de meisjes van de hoven van Spanje tot in Oost Europa droegen in de eerste genoemde periode de strenge Spaanse mode: hooggesloten met kanten “fraises” (gerimpelde of geplooide kragen), manchetten en een vanuit de taille wijd uitlopende rok: de “vertugadin”. In hun hand houden zij vaak een witte doek, versierd met (open) borduurwerk, maar meestal afgezet met een rand van kant of ingezet als “entre-deux”. Naald- en kloskant komen in deze pronkstukken voor. Hoewel mannen in die tijd net zoveel kant aan hun kleding hadden als vrouwen, staan zij niet met een zakdoek te pronken.

De volgende schilders hebben veel van deze portretten vervaardigd: de Spanjaarden Alonso Sánchez Coello ( 1531-1588), Juan Pantoja de la Cruz (1553-1608), Diego Velasquez (1599-1660), de van oorsprong Nederlander Antonio Moro (1517-1577) en de Fransman François Clouet (1510-1572).

In de eerste helft van de 17e eeuw verdwijnt het zichtbaar dragen van de zakdoek uit het modebeeld, maar dit gebruik komt in de 19e eeuw weer helemaal terug. We zien op veel portretten van verschillende schilders ook dan weer de adellijke dames zoals Koningin Victoria, Anna Pavlovna, Koningin Louise Marie van België met rijk versierde zakdoeken afgebeeld. Ook in modetijdschriften, die in de 19e eeuw opkwamen, laten op de modeprenten de afgebeelde dames vaak hun zakdoeken op de wijde crinolinerokken zien.

Aan het einde van de 19e en het begin van de 20e eeuw verdwijnt het zakdoekje, waar het volgens zijn naam ook thuis hoort, in de zak of damestasje.