voorbeelden

Voorbeelden van mijn werk

Internationaal Kantfestival in Pag

Internationaal Kantfestival in Pag

Op het langgerekte, droge eiland Pag voor de Dalmatische kust van Kroatië wordt al sinds eeuwen kant gemaakt. Om dit oude handwerk te bevorderen en ook om toeristen te trekken, organiseert het plaatselijke toeristenbureau al enkele jaren een kantfestival.
Veel staat dan in het teken van de kant; folkloristische groepen treden op met zang en dans. De deelnemers zijn gestoken in traditionele kostuums, waaraan veel kant is verwerkt, vooral aan schorten en de bijzondere hoofdtooi.

Ook worden er buitenlandse deelnemers uitgenodigd om hun kanten te laten zien. Dit kunnen dan zeer traditionele technieken zijn, kantachtige producten, zoals Tenerife of haakwerk, of juist zeer moderne varianten.

Festival2

Festival1

Festival3

Die laatsten staan dan in zeer groot contrast met de kant van Pag: een naaldkant, die sterk doet denken aan de eerste echte naaldkant: de Reticella.
Deze kant ontwikkelde zich uit het openborduurwerk: uit een geweven linnenstof werden horizontaal en verticaal draden getrokken. De overgebleven draden dienden als raster, waaraan de naaldkantsteken werden gemaakt. Het zo ontstane kantachtige product heeft een sterk kwadratische karakter en is dus zeer rechtlijnig. Later werd het weefsel vervangen door horizontaal en verticaal gespannen steundraden, waaraan de kantwerksters hun fraaie patronen maakten.
Deze Reticella-techniek wordt dus ook nu nog in Pag gemaakt. De eindproducten worden, zoals reeds vermeld, aan de hoofdtooien en schorten van de klederdrachten gedragen, maar ook dames in hedendaagse, feestelijke kleding hebben de kant aan hun blouses.
Tijdens dit kantfestival zijn ook de altaren in de kerk in het centrum van de stad voorzien van altaarkleden met zeer brede randen in Paska Cipka.

AltaarAltaar

Altaar-detailAltaar – detail

Verbindingen tussen de motieven in Duchesse-kant

In de klassieke Duchesse-techniek worden meestal tamelijk kleine motiefjes geklost. Ieder stukje wordt opgezet en weer afgehecht als het klaar is; Duchesse is een techniek met afgeknipte draden. Een volgende deeltje wordt begonnen en verbonden met het eerste gekloste stukje op de plaatsen waar dat nodig is. Op het patroon kunnen de verbindingen aangegeven zijn, maar vaak kiest de kantwerkster deze plaatsen tijdens het klossen. Zo voegen we steeds nieuwe deeltjes toe. En veel kleintjes maken dan uiteindelijk een grote!

De verbindingspunten kunnen direct tegen elkaar liggen of een grotere afstand hebben. In het eerste geval haken we rechtstreeks aan, in de tweede situatie maken we een valse vlecht. Als de openingen groter zijn, worden vaak vullingen gebruikt met b.v. vlechten met picots, foto 1, maar ook andere vullingen of gronden zijn bruikbaar. Tulegrond, Point de Paris, sneeuwvlokken uit de Binchekanten: alles is mogelijk. Hiervoor moet men dan wel rasters tekenen om een regelmatig effect te krijgen. Ook moet men meestal tamelijk veel paren inhangen en dus ook weer afknopen.

rand met vlechtvulling in Duchesse

Foto 1: rand met vlechtvulling in Duchesse

Maar vroeger, toen kantklossen nog als beroep werd uitgeoefend en men ondanks het vele werk maar weinig verdiende, moest alles sneller gaan en was de werkwijze voor de grote Duchesse-stukken, zoals kragen, foto 2, zakdoekranden, manchetten, stroken voor op de lange japonnen of aan de priesteralbe’s, heel anders.

detail van een Berthekraag in Duchesse de Bruxelles

Foto 2: detail van een Berthekraag in Duchesse de Bruxelles

We zien in oude, antieke kanten dat de motieven steeds dicht tegen elkaar liggen en er dus relatief weinig ruimte is voor vullingen.

De verbindingen lopen vaak kriskras tussen de bloemen, bladeren en de andere elementen. Zo als het uit kwam werden de vlechten gemaakt. Het lijkt wel of er geen patroon onder heeft gelegen.

Dit kan heel goed mogelijk zijn, omdat deze grotere stukken niet in één geheel geklost zijn door dezelfde kantwerkster. Een duidelijk voorbeeld hiervan is het strookje van foto 3. De tekening (patroon) van ieder rapport is identiek, maar bij nadere beschouwing van de kleinere details zien we grote verschillen. De bloemetjes van het midden motief zijn soms met dikkere of dunnere draden geklost, hebben een sterkere of minder sterkere contourdraad en bij één motief ontbreekt de contourdraad in de bloemetjes helemaal. Het is duidelijk het werk van verschillende kantwerksters. Hebben we hier te maken met restverwerking? Lagen er in een vergeten doosje nog enkele bloemetjes, die nog wel gebruikt konden worden?

rand met guirlandes met 3 verschillende vergrotingen in Duchesse de Bruxelles

Foto 3: rand met guirlandes met 3 verschillende vergrotingen in Duchesse de Bruxelles

Om sneller te kunnen werken maakten de klossters vaak achter elkaar het zelfde bloemetje, blaadjes, medaillonnetjes, krulletjes…
Die werden dan opgekocht door de kanthandelaren, die er de grotere stukken van lieten maken. De verbindingen tussen deze delen kwamen er dus later in en werden gemaakt door een andere werkster.

In foto 4, een Duchesse strook met delen in naaldkant (Duchesse de Bruxelles) kunnen we de verbindingen goed zien, omdat het voor de techniek tamelijk grof gewerkt is. De vlechten zijn los geklost en hebben soms picots. Het komt in dit stuk ook voor dat de vlechten helemaal niet geklost zijn maar als losse draden oversteken. Bij vergroting is tevens te zien dat de vlechten niet altijd geklost zijn, maar gevlochten zoals een haarvlecht; dus met 3 – vaak dubbele – draden en niet met 4.

strook voor japonversiering met vergroting in Duchesse de Bruxelles

Foto 4: strook voor japonversiering met vergroting in Duchesse de Bruxelles

Als we zo’n antiek kantwerk – gebruikt, gedragen en gewassen – nu bekijken, ziet het er niet altijd perfect meer uit. Misschien was het dat ooit wel, maar het zal er van een afstand zeker imponerend hebben uitgezien en daar ging het tenslotte om.

dit stuk bevindt zich in mijn verzameling

dit stuk bevindt zich in mijn verzameling

 

Een luxe “zakdoek” in Brugse Duchesse

Afmetingen: 34 x 34 cm

Dit soort luxeartikelen, die wij nu zakdoeken noemen, waren zeker niet bedoeld om in een zak te stoppen. Integendeel; ze werden duidelijk zichtbaar gedragen om er mee te pronken. Dit mode verschijnsel zien we op schilderijen uit de periode 1540 tot ± 1650 en later ook weer in de 19e eeuw. De gegoede dames, die zich deze luxe konden permitteren, droegen in de linkerhand hun kostbare linnen doekjes met vaak zeer brede kantstroken. In de 17e eeuw waren dit vaak naaldkanten maar ook kloskant werd hiervoor gebruikt. Zeker in de 19e eeuw was dat het geval.
Het nieuwste stuk uit mijn verzameling is zo’n zakdoek met kloskant; n.l. een Brugse Duchesse.

zakdoek brugse duchesse

Duchesse is een kantsoort, die in delen wordt geklost: d.w.z. dat ieder onderdeel in de tekening – bloem, blaadje en stelen en ook andere vormen, apart worden opgezet en afgewerkt, waarna de draden naar een volgend stukje gaan. Soms worden zij na het afknopen afgeknipt, maar ook met dradenbundels naar het nieuwe onderdeel gebracht. Deze dradenbundels worden – zeker als zij in het ontwerp storen – weggeknipt.

zakdoek brugse duchesse (detail)

In dit kantwerk viel mij direct de bijzondere tekening op. Niet alleen de kenmerkende florale motieven zijn hierin gebruikt. Maar vooral de hoekige bandjes bepalen hier het uiterlijk van dit stuk. Deze bandjes bestaan uit 2 smallere linnenslaglintjes met daar tussen een vulling van halve slagen (netslagen). Maar eerst is er tussen de lintjes een smal meanderend lintje geklost, die nu aan de voorkant op de vulling ligt. In de hoekjes zijn kleine bloempjes gewerkt, waarachter de vulling ook doorloopt. Alleen in de buitenste hoek is de iets grotere bloem aan de achterkant te zien.
Waarschijnlijk het begin- en eindpunt van de vulling.

Over zakdoeken, vooral met kanten, afgebeeld op schilderijen heb ik een lezing samengesteld, die samen gaat met afbeeldingen van deze schilderijen. Ik ben graag bereid dit op aanvraag te komen laten horen en zien.

Een sjaal van Applicatiekant

Breedte: 45 cm.
Lengte: 220 cm.

Een sjaal van Applicatiekant

Een sjaal van Applicatiekant

Dit luchtige mode-accessoire van 2.20 m. lang en 45 cm. breed uit mijn kantbezit, is zeker niet gedacht als een warme wintersjaal, maar meer als een frivoolvoorwerp om op zomeravonden mee te dansen of te flaneren. Tijdens het bal of in de zachte bries waaide de lichte kant bevallig achter de draagster aan.
De gekloste bloemen en bladeren vormen boeketten en ook randen, die de afwerking van de sjaal vormen. Ze zijn geklost in een techniek van kanten in delen en zijn in dit stuk geappliqueerd op een machinaal vervaardigde tule. Deze tule loopt achter de dichte delen van de bloemen en bladeren door. Alleen bij de open stukken werden delen weggeknipt, waardoor het ajour beter tot zijn recht kwam.

Een sjaal van Applicatiekant - detail 1

Een sjaal van Applicatiekant – detail 1

Een sjaal van Applicatiekant - detail 2

Een sjaal van Applicatiekant – detail 2

In het begin van de 19e eeuw zijn de eerste machines ontstaan die deze tule konden maken. Daardoor werden de kanten veel voordeliger en dus ook betaalbaar voor de gegoede burgerij. Voor de tijd van de fabrieksmatig gefabriceerde tule werd de Application de Bruxelles op een handgekloste grond – de fond drochel – genaaid. Deze was aanmerkelijk duurder en bleef voor de adel en andere rijke dames zeker favoriet. De Application de Bruxelles en de geappliqueerde kant op machinale tule bleven naast elkaar bestaan.

Een strookje Blonde

Breedte van het strookje: 8 cm. Lengte rapport: 2,5 cm.
Breedte bloemmotief: 8 cm. Lengte: 18 cm.

Blonde  is een 19e-eeuwse kantsoort, die erg populair was in de toenmalige damesmode. De tijd dat de heren zich ook overdadig met kant tooiden, was toen voorbij.
De lange rokken van de japonnen werden vaak met drie stroken kant boven elkaar versierd. Deze zogenaamde “tournures” hadden verschillende breedtes, maar pasten qua ontwerpen wel helemaal bij elkaar. Ook kragen, sluiers en sjaals zijn in grote getale in deze fijne soort vervaardigd en adellijke en hooggeplaatste dames lieten zich graag met deze pronkstukken portretteren.
De Blonde dankt haar naam aan het materiaal, waarmee het geklost werd: namelijk naturelkleurige zijde.

Een strookje Blonde

Een strookje Blonde

Een strookje Blonde - detail

Een strookje Blonde – detail

Wat de techniek betreft hoort deze soort bij de tulekanten: een kant met doorlopende draden met een grond in tuleslag. De draden, die voor deze grond zijn gebruikt, zijn zeer fijn. Daarom lijkt het op schilderijen en foto’s vaak alsof de motieven los liggen: de fijne tule valt niet op. Dit effect wordt nog versterkt doordat de motieven in linnenslag met een extra dikke draad als looppaar worden geklost. Deze loopdraad bestaat uit een flossig garen (weinig gedraaid). De motieven – meestal floraal – worden door een contourdraad omgeven, zoals bij iedere tulekant. Er zijn dus voor een Blonde 3 verschillende garens nodig: een fijne soort voor alle lengteparen, een contourdraad en een flossige draad voor de loopparen van de motieven.

In de loop van de 19e eeuw komen er vaker ook kleine delen in halve slag in de motieven voor. Dit is te zien in het stukje met de grote bloem.
Dit laatste stukje heeft geen afgewerkte randen. Dergelijke stroken werden aan de meter geklost en later aan elkaar gezet met de Point de Raccroc. Met 2 naalden met de dunne zijde naaide men deze stroken aan elkaar tot grotere stukken voor sjaals en sluiers. De Point de Raccroc imiteert de tuleslag.

Berthe-kraag in Duchesse de Bruxelles

Breedte van de rand: 14 cm.

Een Berthe is een rond de schouders vallende kraag, die in de 17e eeuw als een strakke rand werd gedragen. Zoals met zoveel zaken werden ook veel mode accessoires in de 19e eeuw uit de oudere tijd overgenomen. De deels afgebeelde kraag stamt uit de 19e eeuw en viel niet strak maar met grote golven over de schouders van de draagster.

Berthe-kraag in Duchesse de Bruxelles

Berthe-kraag in Duchesse de Bruxelles

Berthe-kraag in Duchesse de Bruxelles - detail

Berthe-kraag in Duchesse de Bruxelles – detail

De techniek van deze kraag is de Duchesse de Bruxelles, een kantsoort in delen. Dat laatste wil zeggen dat ieder motiefje – bloemetje, blaadje, sierrandje – werd opgezet en afgehecht. De verschillende onderdelen werden dan later door middel van vlechten aan elkaar gehecht. Dit werk hoefde niet persé door de zelfde klosster te zijn gedaan. Het kan zelfs zijn dat een kantwerkster alleen maar de bloemetjes voor de halsrand maakte en een andere de bladvormen of de sierrandjes. In deze sierrandjes valt ook de aanwezigheid van een contour draad op; ook een kenmerk van de Duchesse-kant. De 3-bladige bladvormen zijn met reliëf gewerkt.

De toevoeging de Bruxelles slaat op het gebruik van naaldkant in dit stuk: in de ovale openingen zien we “pareltjes” van naaldkant en in de ronde bloemenkransjes vinden we roosjes met driedimensionale blaadjes. Duchesse-kant zonder deze naaldkantdelen noemen we Duchesse de Bruges (van Brugge), deze soort is over her algemeen wat grover en minder rijk van tekening.

 

Zakdoek met een rand van Binche-kant

Afmetingen van de stof: 19 x 19 cm.
Breedte van de kant: 2,5 cm.

Binche-kant valt onder de soort kloskant met doorlopende draden en wordt vooral in de streek van het westen van Vlaanderen, met name in Brugge, geklost. Hier wordt ze ook wel Point de Fée genoemd. In deze fijne kant vallen vooral de verschillende “sneeuwvlokken” op, die groot, klein, geringd of met gaatjes kunnen zijn. Iedere soort sneeuwvlok heeft een eigen raster. Naast deze sneeuwvlokken komen ook andere gronden voor: de Parijse, de Vlaanderse tralie en soms ook de vlechtgrond van de Valenciennes. De motieven zijn meestal in linnenslag geklost, maar de halve slag komt ook voor. Er wordt traditioneel geen sierdraad gebruikt, maar in eigentijdse stukken omgeeft een sierdraad soms een klein deel om dit te accentueren.

Zakdoek met een rand van Binche-kant

Zakdoek met een rand van Binche-kant

In het zakdoekkantje uit mijn collectie zien we naast de bovengenoemde kenmerken een ovaal motiefje van Parijse grond met een dubbele omranding van 2 x 2 hele slagen met daar tussen “moezen”, vierkanten vormslagen. Ze zouden eigenlijk vierkant moeten zijn, maar de klosster heeft ze steeds aan de onderkant tot een puntje getrokken.  Verder valt op dat het randje gekloste hoeken heeft. Daaruit kunnen we concluderen dat dit zakdoekje nog niet zo heel oud is. Lang was het heel normaal om de randen in de hoeken te vouwen of de rimpelen om zo een rechthoekige doek te omranden.

Over zakdoeken

Het spreekt bijna voor zich dat een dergelijke kostbare zakdoek niet zal worden gebruikt bij een zware verkoudheid.  Het is meer een accessoire, een siervoorwerp, dat hoogstens een traantje van emotie opneemt of een voorhoofdje droog dept. Het kan een bruidszakdoekje zijn, een geliefd cadeau van een kantklossende moeder aan haar dochter.

Er zijn echter twee periodes in de geschiedenis van de kant en de mode, waarin (zak)doeken een belangrijk rol speelden en opvallend zichtbaar werden gedragen. Op schilderijen uit de tweede helft van de 16e tot het eerste kwart van de 17e eeuw en ook weer in de 19e vinden we heel vaak rijke dames, die een kostbare (zak)doek met kant in hun hand houden. Net zoals wij nu ons handtasje of telefoontje steeds bij ons dragen.

De adellijke dames en ook de meisjes van de hoven van Spanje tot in Oost Europa droegen in de eerste genoemde periode de strenge Spaanse mode: hooggesloten met kanten “fraises” (gerimpelde of geplooide kragen), manchetten en een vanuit de taille wijd uitlopende rok: de “vertugadin”. In hun hand houden zij vaak een witte doek, versierd met (open) borduurwerk, maar meestal afgezet met een rand van kant of ingezet als “entre-deux”. Naald- en kloskant komen in deze pronkstukken voor. Hoewel mannen in die tijd net zoveel kant aan hun kleding hadden als vrouwen, staan zij niet met een zakdoek te pronken.

De volgende schilders hebben veel van deze portretten vervaardigd: de Spanjaarden Alonso Sánchez Coello ( 1531-1588), Juan Pantoja de la Cruz (1553-1608), Diego Velasquez (1599-1660), de van oorsprong Nederlander Antonio Moro (1517-1577) en de Fransman François Clouet (1510-1572).

In de eerste helft van de 17e eeuw verdwijnt het zichtbaar dragen van de zakdoek uit het modebeeld, maar dit gebruik komt in de 19e eeuw weer helemaal terug. We zien op veel portretten van verschillende schilders ook dan weer de adellijke dames zoals Koningin Victoria, Anna Pavlovna, Koningin Louise Marie van België met rijk versierde zakdoeken afgebeeld. Ook in modetijdschriften, die in de 19e eeuw opkwamen, laten op de modeprenten de afgebeelde dames vaak hun zakdoeken op de wijde crinolinerokken zien.

Aan het einde van de 19e en het begin van de 20e eeuw verdwijnt het zakdoekje, waar het volgens zijn naam ook thuis hoort, in de zak of damestasje.